Veelgestelde vragen over voortgangstoetsing

Ik heb in maart een score behaald die onvoldoende is; maar bij de VT in afgelopen december lag de norm voor mijn jaargroep lager; kan ik dan toch nog een voldoende krijgen?

Nee. Elke toets heeft zijn eigen normen (zie de informatie over de normen). Een score die is behaald op een eerdere of latere toets kan dus niet langs die normen worden gelegd.

Ik heb zelf een andere score berekend dan ik aantref in mijn uitslag voor de Voortgangstoets. Wat moet ik doen?

Controleer eerst of u eventuele sleutelwijzigingen en vervallen vragen hebt verwerkt in uw scoreberekening. Met name: vervallen vragen tellen niet mee bij de berekening van de percentuele score (dus niet delen door 200, maar door bijvoorbeeld 198). Als dat niets oplevert vraag dan om inzage in uw toetsformulier. Het is hoogstwaarschijnlijk zo dat op uw toetsformulier dan iets anders staat dan u zelf op uw kopie hebt staan.

Ik had eerst een voldoende score voor de VT maar na de sleutelwijzigingen en het vervallen van vragen is dat niet meer zo. Kan ik niet tóch nog een voldoende krijgen?

Uitgangspunt bij alle voortgangstoetsen is, dat de uitslag waar het om draait de uitslag is van de toets zoals die er uit ziet nádat er eventuele sleutelwijzigingen zijn verwerkt en nádat eventuele vragen zijn vervallen. Dan zijn namelijk alle fouten uit de toets verwijderd en is de score correct vastgesteld.
Als je dus een toets van 200 vragen hebt gemaakt zul je in eerste instantie een bepaalde score hebben behaald. Deze verandert vervolgens als gevolg van het feit dat er vragen vervallen of sleutelwijzigingen worden doorgevoerd. De werkelijke uitslag is de laatstgenoemde; de eerste score betrof immers een toets waarin nog een sleutelfout zat en waarvan nog bepaalde vragen deel uitmaakten die achteraf niet geschikt bleken.

Als er een sleutelwijziging plaatsvindt zullen er altijd studenten zijn die er op vooruit gaan (van een negatieve score naar een positieve) en die er op achteruit gaan (van een positieve score naar een negatieve). Dat is logisch, er was een technische fout, bijvoorbeeld doordat bij de toetsvoorbereiding het juiste antwoord verkeerd is ingetypt.

Als er een vraag vervalt omdat hij achteraf niet houdbaar blijkt (bijvoorbeeld: beide antwoorden waren goed, of de vraag was verkeerd geformuleerd) dan vervalt de vraag, en daarmee ook alle plus- en minpunten die er mee waren gescoord. Ook dit is logisch. Bovendien vermindert dan het aantal vragen op basis waarvan het scoringspercentage wordt berekend met 1: van 200 naar 199. Om de percentuele score te berekenen moet je dan dus de door de student behaalde absolute score delen door 1,99 i.p.v. door 2.

De ene VT blijkt moeilijker dan de andere. Kun je je eigen kennisontwikkeling dan eigenlijk wel volgen?

Zowel de kennistoename bij een groep als de kennistoename bij één persoon is over een reeks VT’s uitstekend te toetsen. Inderdaad loopt de moeilijkheidsgraad van VT’s uiteen; dit kan soms leiden tot ‘knikken’ in het verloop van de (gemiddelde of individuele) score Goed-Fout en tot op- en neergaan van de normen (die immers op relatieve wijze worden vastgesteld). Toch is op de langere termijn vooruitgang meetbaar doordat de reeks van toetsen een betrouwbare groeitendens laat zien (zie bijvoorbeeld Van der Vleuten CPM en EW Driessen: Toetsing in probleemgestuurd onderwijs, Hoger Onderwijs Praktijk, Wolters-Noordhoff, Groningen 2000, p. 27-32).

Daarnaast kan de individuele student bij elke toets bekijken hoe zijn score zich verhoudt tot die van zijn jaargroep. Daaruit is op te maken of zijn score op hetzelfde niveau blijft ten opzichte van het gemiddelde van de groep, of zich gunstiger of minder gunstig daarvan gaat onderscheiden – en dat staat los van de moeilijkheidsgraad van de toets.