Normering

De kwalificaties die voor een voortgangstoets kunnen worden behaald zijn: Onvoldoende, Voldoende of Goed. De normering van de voortgangstoets is op dit moment relatief en er zijn dus geen vooraf vastgestelde absolute waarden.

Voor het vaststellen van de drie kwalificaties zijn twee normen nodig: de Onvoldoende/Voldoende norm (O/V-norm) en de Voldoende/Goed-norm (V/G-norm). De voortgangstoets is bedoeld om kennisgroei te meten van begin tot eind van de studie. Aan elke voortgangstoets doen zes jaargroepen mee. Voor bachelorstudenten worden per jaargroep eigen normen vastgesteld. In de master wordt de normering per meetmoment (twaalf in totaal) bepaald.

Na afname van een voortgangstoets wordt eerst per jaargroep (bachelor) of meetmoment (master) de gemiddelde waarde (M), de standaarddeviatie (SD), de O/V-grenswaarde (M-SD) en de V/G-grenswaarde (M+0.5SD) van de %goed-fout scores bepaald. Op deze wijze wordt een reeks van 6 O/V- en V/G-grenswaarden verkregen. Van deze reeksen worden de O/V- respectievelijk de G/V-norm afgeleid door de best passende kwadratische curve te bepalen. In de onderstaande figuur is hiervan een voorbeeld gegeven, waarbij de normen per meetmoment in de master per jaargroep zijn samengevoegd.

normering

Voor de O/V-grenswaarde wordt de best passende curve gevonden door de curve te bepalen die de reeks van de O/V-grenswaarden zo goed mogelijk volgt. Als criterium voor goed volgen wordt de kleinste kwadratensom gehanteerd: voor elke jaargroep of elk meetmoment wordt de afwijking tussen de meting en het punt op de curve bepaald en de som van de kwadraten van die afwijkingen wordt berekend. Vervolgens worden niveau, helling en kromming van de curve zodanig aangepast dat een minimale kwadratensom resulteert. De resulterende OV-norm komt overeen met het niveau van de best passende lijn voor de betreffende groep. De V/G-norm wordt verkregen door dezelfde procedure toe te passen op de V/G-grenswaarden.

Uiteraard dienen zowel de O/V-norm als de V/G-norm niet te dalen voor opeenvolgende jaargroepen en mag de V/G-norm niet lager zijn dan de O/V-norm. Indien dit of een vergelijkbare onwenselijke situatie zich voordoet is de Examencommissie gerechtigd de normen bij te stellen.

De uitslag van het voortgangstentamen is gebaseerd op vier voortgangstoetsresultaten.

 

De normering van de voortgangstoetsen van het huidige studiejaar worden op deze pagina gepubliceerd wanneer deze beschikbaar zijn.

Normering tijdens COVID

In de afnames tijdens de COVID crisis maken studenten de voortgangstoets onder verschillende condities. Sommigen op papier in een toetszaal, sommigen thuis zonder toezicht en anderen thuis met toezicht van Proctorio of via een vorm van video-conferencing.   Hierbij geldt dat vooral studenten waarvoor de huidige toets een belangrijk beslismoment is, de toets onder toezicht maken. De precieze keuze daarvoor wordt door de EC van iedere instelling gemaakt. Maar alle studenten worden geacht de toets zo serieus mogelijk te maken.

 

Omdat er nu verschillende afnamecondities tegelijk zijn, wordt eerst statistisch geanalyseerd of de toets serieus is gemaakt: d.w.z., of de scoreverdeling al dan niet significant afwijkt van de scoreverdelingen in de afgelopen 5 jaren. Vervolgens wordt gekeken of er significante verschillen zijn in de scoreverdelingen tussen de afnamecondities met en zonder toezicht. Is dit niet het geval (zoals bij de septembertoets in 2020) dan worden de normen op de reguliere wijze vastgesteld, zoals hierboven uitgelegd.

Mocht uit de statistische analyse blijken dat de scoreverdeling onder met name de afnames zonder toezicht afwijkt van de historische trend en van de afnames onder toezicht, dan worden de normen gebaseerd op de afnames onder toezicht, aangevuld met historische gegevens.